Het Koekje
Raf deelt zijn koekje met Ole
Raf staat nog bij de deur.
Hij kijkt naar Ole.
Ole zit nog steeds alleen.
Raf denkt na.
Hij weet hoe het voelt.
Om anders te zijn.
Om de woorden niet te vinden.
Hij loopt terug de klas in.
Zijn voeten maken geen geluid.
Hij gaat naast Ole zitten.
Ole kijkt op.
Zijn ogen zijn groot.
Wie is deze jongen?
Raf haalt iets uit zijn zak.
Een koekje.
Met chocola
Hij breekt het in twee stukken.
Hij geeft de helft aan Ole.
Ole kijkt naar het koekje.
Dan naar Raf.
Dan weer naar het koekje.
Hij pakt het aan.
Langzaam.
Voorzichtig.
Ze eten het koekje.
In stilte.
Geen woorden.
Maar toch…
Het voelt goed.
Het is mooi
Ole wijst naar de tekening in zijn schrift.
Het huisje met de bergen.
Dan wijst hij naar zichzelf.
Raf snapt het.
“Jouw huis,” zegt hij.
Hij wijst naar de tekening.
“Jouw huis. Ver weg.”
Ole knikt.
Hij snapt Raf niet helemaal.
Maar hij snapt genoeg.
Ole pakt zijn pen.
Hij tekent nog iets.
Een vliegtuig.
Met een pijl van het huisje naar hier.
Hij kwam met het vliegtuig, denkt Raf.
Van heel ver.
Raf wijst naar het raam.
Naar de huizen buiten.
“Nu hier,” zegt hij.
“Jouw nieuwe huis.”
Ole kijkt naar buiten.
Hij ziet de grijze lucht.
De regen.
De natte straat
Zijn ogen worden nat.
Hij mist zijn thuis.
Raf legt zijn hand op de tafel.
Naast de hand van Ole.
Niet vasthouden.
Gewoon… daar.
Ole kijkt naar Raf.
En dan…
Hij glimlacht.
Heel klein.
Maar het is er.
Raf glimlacht terug.