Illustratie bij De Vlucht
Oefen samen: schreeuwtiedereenbeloven

De Vlucht

De zwarte draak jaagt hen weg van de berg

De zwarte draak landt op de berg.
De grond trilt.
Hij is enorm.
Groter dan alle andere draken.

Zijn schubben zijn zo zwart als de nacht.
Zijn ogen gloeien rood.
Rook komt uit zijn neus.

“Wie zijn dit?” brult hij.
Zijn stem is als de donder.
“Mensen? Op mijn berg?”

De gouden draak gaat voor Sem en Lot staan.
“Het zijn mijn vrienden,” zegt hij.
Zijn stem trilt.

De zwarte draak lacht.
Het is een gemene lach.
“Vrienden? Draken hebben geen vrienden.
Draken zijn sterk.
Draken zijn alleen.”

Hij zet een stap naar voren.
Alle draken deinzen terug.
Zelfs oma.

“Ga weg,” zegt de zwarte draak.
“Neem die mensen mee.
En kom nooit meer terug.”

Sem pakt de hand van Lot.
Lot is bang.
Sem ook.

De gouden draak kijkt naar oma.
“Maar… dit is mijn thuis.”

Oma schudt haar hoofd.
“Ga, kleinkind
Ga nu.
Hou je vrienden veilig.”

De gouden draak buigt zijn kop.
“Klim op mijn rug,” fluistert hij.
Sem en Lot klimmen snel.

De draak spreidt zijn vleugels.
Hij springt op.
Ze vliegen weg van de berg.

De zwarte draak kijkt ze na.
“Wegwezen!” schreeuwt hij.
“En waag het niet om terug te komen!”

Ze vliegen snel.
Over de bossen.
Over de velden.
Terug naar huis.

Lot huilt zachtjes.
“Het spijt me,” zegt ze.
“Het is onze schuld.”

De gouden draak schudt zijn kop.
“Nee. Het is zijn schuld.
De zwarte draak is gemeen.
Hij maakt iedereen bang.”

Sem denkt na.
“Kunnen we hem niet stoppen?”

De draak zucht.
“Ik weet het niet.
Hij is zo groot.
En ik ben zo klein.”

Ze landen in de tuin.
Het is al donker.
De sterren schijnen.

“Ik ga ooit terug,” zegt de draak zachtjes.
“Ooit stop ik hem.
Ooit red ik mijn familie.”

Sem legt zijn hand op de draak.
“Wij helpen je.
Dat beloven we.”

0:00 / 0:00