De Gouden Draken
Ze landen op de drakenberg en ontmoeten andere draken
De schaduw is weg.
De gouden draak vliegt snel.
Ze zijn bijna bij de berg.
“Kijk!” roept Sem.
“Meer draken!”
Lot kijkt goed.
Ze ziet draken vliegen.
Rode draken.
Blauwe draken.
En gouden draken!
“Dat is mijn familie,” zegt de draak.
Zijn stem klinkt blij.
Ze landen op de berg.
Het is warm hier.
Er komt rook uit de grond.
Een oude gouden draak komt naar ze toe.
Ze is groot en mooi
Haar schubben glanzen.
“Mijn kleinkind,” zegt ze.
“Je bent terug.”
De gouden draak buigt.
“Oma! Ik heb mijn vrienden bij me.
Dit zijn Sem en Lot.”
Oma kijkt naar de kinderen.
Haar ogen zijn wijs.
“Welkom op de drakenberg.
Jullie zijn de eerste mensen hier.
In heel lange tijd.”
Lot maakt een buiging.
“Dank u, mevrouw de draak.”
Oma lacht.
“Noem me maar oma.
Kom, ik laat jullie de berg zien.”
Ze lopen door de grot.
Er zijn overal draken.
Grote draken en kleine draken.
Draken die slapen.
Draken die spelen.
“Hier wonen wij,” zegt oma.
“Dit is ons huis.
Al heel lang.”
Sem ziet iets glanzen.
“Wat is dat?”
Hij wijst naar een berg van goud.
“De schat van de draken,” zegt oma.
“Wij houden van glimmende dingen.”
Dan wordt het stil.
Alle draken kijken naar de lucht.
Een donkere schaduw glijdt voorbij.
Het is de zwarte draak.
Hij cirkelt rond de berg.
“Hij is er weer,” fluistert oma.
“De zwarte draak.
Hij maakt al jaren de draken bang.
Niemand durft tegen hem te vechten.”
De gouden draak trilt.
“Waarom niet?”
Oma kijkt hem aan.
“Hij is te sterk.
Te groot.
Te gemeen.”
De schaduw maakt een draai
Hij komt hun kant op…