De Schaduw
De draak neemt Sem en Lot mee naar de drakenberg
Het is een mooie dag.
De zon schijnt.
Sem en Lot zitten in de tuin.
De gouden draak ligt in het gras.
“Ik wil jullie iets laten zien,” zegt de draak.
Hij kijkt naar de lucht.
“De drakenberg.
Daar kom ik vandaan.”
Sem springt op.
“De drakenberg!
Mag ik mee?”
Lot knikt hard.
“Ik ook! Ik ook!”
De draak lacht.
“Ja, jullie mogen mee.
Maar het is ver.
We moeten vliegen.”
Sem kijkt naar de draak.
De draak is groot nu.
Hij is het hele jaar door blijven groeien
Zijn vleugels zijn breed.
Zijn staart is lang.
“Klim maar op mijn rug,” zegt de draak.
Sem klimt eerst.
Dan Lot.
Ze houden zich goed vast.
De draak spreidt zijn vleugels.
Hij rent door de tuin.
Dan springt hij op!
Ze vliegen!
Lot gilt van blijdschap.
“We vliegen! We vliegen echt!”
Ze vliegen over het bos.
De bomen zijn klein van boven.
Ze vliegen over de straat
De huizen zijn als speelgoed.
Ze vliegen over de rivier.
Het water glimt in de zon.
“Kijk daar,” zegt de draak.
“De drakenberg.”
Sem en Lot kijken.
In de verte staat een berg.
Hij is groot en donker.
Er komt rook uit de top.
“Daar wonen de draken,” zegt de gouden draak.
“Mijn familie.”
Maar dan ziet Lot iets.
Een donkere schaduw aan de hemel.
De schaduw is groot.
Groter dan hun draak.
“Wat is dat?” vraagt Lot.
De draak kijkt.
Zijn ogen worden groot.
“O nee,” fluistert hij.
“De zwarte draak.”
De schaduw komt dichterbij…