Illustratie bij In de Grot
Oefen samen: angstaanjagendvoetstappentralies

In de Grot

De gouden draak gaat de donkere grot in

De gouden draak loopt de grot in.
Het is donker.
Zo donker als de nacht.
Hij kan niks zien.

Zijn hart bonst.
Boem. Boem. Boem.
Hij is bang.
Heel erg bang.

Maar hij denkt aan Sem en Lot.
Zijn beste vrienden.
Ze zijn hier ergens.
Bang en alleen.

Hij moet door.

De gouden draak blaast een klein vlammetje.
Het geeft een beetje licht.
Nu kan hij de muren zien.
Zwarte rots.
Natte stenen.

Hij loopt verder.
Dieper de grot in.

Dan hoort hij iets.
Een stem!
“Help! Is daar iemand?”

Het is Lot!

“Lot!” roept de gouden draak.
“Ik ben het! Ik kom eraan!”

Hij rent nu.
Door de donkere gang.
Het wordt kouder.
En donkerder.

Dan ziet hij ze.
Sem en Lot.
Ze zitten in een kooi.
Een kooi van steen.

“Draakje!” roept Sem.
“Je bent gekomen!”

De gouden draak rent naar de kooi.
“Ik haal jullie eruit!”

Hij probeert de kooi te breken.
Maar de stenen zijn te sterk.
Hij kan er niet doorheen.

“Het lukt niet,” zegt hij verdrietig.

Lot pakt zijn poot.
Door de tralies.
“Je bent hier.
Dat is genoeg.
Je bent niet weggerend.
Je bent gekomen.”

De gouden draak voelt tranen komen.
“Natuurlijk kwam ik.
Jullie zijn mijn vrienden.
Ik laat jullie nooit alleen.”

Dan klinkt er een geluid.
Voetstappen.
Grote voetstappen.

De zwarte draak komt eraan.

“Zo zo,” zegt een diepe stem.
“Het kleine gouden draakje is gekomen.
Hoe… dapper.”

De gouden draak draait zich om.
Daar staat hij.
De zwarte draak.
Enorm.
Angstaanjagend.

Maar de gouden draak rent niet weg.
Hij gaat voor de kooi staan.
Tussen zijn vrienden en het gevaar.

“Laat ze gaan,” zegt hij.
Zijn stem trilt.
Maar hij zegt het.

0:00 / 0:00