Illustratie bij De Confrontatie
Oefen samen: eenzaamduisternisvreselijk

De Confrontatie

De gouden draak staat tegenover de zwarte draak

De zwarte draak lacht.
Het is een vreselijk geluid.
Het echoot door de grot.

“Jij? Mij stoppen?
Kijk naar jezelf.
Je bent klein.
Je bent zwak.
Je bent niks.”

De gouden draak trilt.
De zwarte draak heeft gelijk.
Hij is klein.
Hij is zwak.

Maar dan voelt hij iets.
De hand van Sem.
Door de tralies.
Op zijn rug.

“Je bent niet niks,” fluistert Sem.
“Je bent onze vriend.”

De gouden draak haalt diep adem.
Hij denkt aan wat oma zei.
Jouw gouden vuur is speciaal.
Het is gemaakt om te schijnen.

Hij kijkt naar de zwarte draak.
“Ik ben misschien klein.
Maar ik heb iets wat jij niet hebt.”

“O ja?” De zwarte draak grijnst.
“En wat dan wel?”

“Vrienden.”

De zwarte draak lacht weer.
“Vrienden! Wat een onzin!
Draken hebben geen vrienden nodig.
Draken zijn sterk.
Draken zijn alleen.”

“Nee,” zegt de gouden draak.
“Jij bent alleen.
Daarom ben je zo boos.
Daarom ben je zo gemeen.
Je bent eenzaam.”

De zwarte draak stopt met lachen.
Zijn ogen worden smal.
“Hoe durf je!”

Hij blaast zwart vuur.
Het vuur komt recht op de gouden draak af.

De gouden draak doet zijn ogen dicht.
Hij denkt aan Sem.
Aan Lot.
Aan oma.
Aan alle draken op de berg.
Aan iedereen die van hem houdt.

Hij voelt warmte in zijn buik.
Het groeit.
En groeit.
Het wordt licht.
Gouden licht.

Hij opent zijn bek.
En hij blaast.

Geen vuur.
Maar licht.
Puur gouden licht.
Het schijnt door de hele grot.
Zo helder als de zon.

De zwarte draak schreeuwt.
“Het licht! Nee! Het licht!”

Hij bedekt zijn ogen.
Hij deinst achteruit.
Hij kan niet tegen het licht.

0:00 / 0:00