Illustratie bij Naar de Grot
Oefen samen: dichterbijpikdonkervergeten

Naar de Grot

De reis naar de grot van de zwarte draak

De gouden draak zit op de rug van oma.
Ze vliegen hoog.
Boven de wolken.
Boven de sneeuw

“Vertel me meer,” zegt de gouden draak.
“Over de zwarte draak.”

Oma zucht.
“Hij was niet altijd zo.
Lang geleden was hij gewoon een draak.
Net als wij.”

“Wat is er gebeurd?”

“Hij was alleen.
Niemand speelde met hem.
Niemand hield van hem.
Hij werd boos.
En verdrietig.
En toen… werd hij zwart.”

De gouden draak denkt na.
“Dus hij is niet slecht geboren?”

“Niemand wordt slecht geboren,” zegt oma.
“Maar soms worden draken boos.
En ze vergeten hoe het voelt om lief te hebben.”

Ze vliegen verder.
De berg komt dichterbij.
De top is zwart.
Geen sneeuw
Alleen rots.

“Daar is de grot,” zegt oma.
Ze wijst naar een donker gat.
“Ik kan niet mee naar binnen.
Ik ben te oud.
Te groot.”

De gouden draak slikt.
“Moet ik alleen?”

Oma landt op een rots.
“Ja, kleinkind.
Dit is jouw taak
Maar vergeet niet wat ik zei.
Jouw licht is sterker dan zijn donker.”

De gouden draak klimt van haar rug.
Hij kijkt naar de grot.
Het is pikdonker binnen.

“Ik ben bang,” fluistert hij.

“Dat mag,” zegt oma.
“Dapper zijn is niet: geen angst hebben.
Dapper zijn is: bang zijn en toch gaan.”

De gouden draak haalt diep adem.
Hij denkt aan Sem.
Hij denkt aan Lot.
Zijn vrienden.
Die op hem wachten.

“Ik ga,” zegt hij.

Oma knikt.
“Ik wacht hier.
Ga nu.
En schijn, kleinkind.
Schijn zo helder als je kunt.”

De gouden draak loopt de grot in.
Het wordt donker.
Heel donker.
Maar in zijn buik groeit iets.
Een warmte.
Een licht.
Klaar om te schijnen

0:00 / 0:00