Illustratie bij De Wijze Oma
Oefen samen: kleinkindglimlachtspeciaal

De Wijze Oma

De gouden draak ontmoet zijn oma

De gouden draak loopt door de sneeuw
Zijn vleugel doet pijn.
Maar hij moet door.
Hij moet zijn vrienden redden

De zon komt op.
Het wordt lichter.
En warmer.

Dan hoort hij iets.
Vleugels!
Grote vleugels!

Hij verstopt zich achter een rots.
Is het de zwarte draak?
Komt hij terug?

Maar het is geen zwarte draak.
Het is een gouden draak.
Een heel oude gouden draak.

“Kom maar uit,” zegt ze.
Haar stem is zacht.
“Ik weet dat je daar bent, kleinkind.”

De gouden draak komt achter de rots vandaan.
“Oma?”

De oude draak landt naast hem.
“Ja. Ik ben het.
Ik zag wat er gebeurde.
Ik kwam zo snel als ik kon.”

De gouden draak huilt.
Draken huilen niet vaak.
Maar nu wel.

“Hij heeft ze meegenomen!
Sem en Lot!
Mijn beste vrienden!”

Oma slaat haar vleugel om hem heen.
“Ik weet het, kleinkind.
Ik weet het.”

“Ik moet ze redden,” zegt de gouden draak.
“Maar ik kan niet vliegen.
En ik ben zo klein.”

Oma kijkt hem aan.
Haar ogen zijn wijs.
Zo wijs als de sterren.

“Je bent klein, dat is waar.
Maar je hebt iets wat de zwarte draak niet heeft.”

“Wat dan?”

Oma glimlacht.
“Gouden vuur.
Jouw vuur is speciaal.
Het is niet gemaakt om te branden.
Het is gemaakt om te schijnen

De gouden draak snapt het niet.
“Schijnen?”

“De zwarte draak is bang voor licht.
Daarom woont hij in een donkere grot.
Daarom komt hij alleen in de nacht.”

Oma pakt zijn kop.
“Jouw gouden vuur kan schijnen als de zon.
Daarmee kun je hem verjagen

De gouden draak voelt iets nieuws
Hoop.

“Ik wil het proberen,” zegt hij.
“Maar hoe kom ik bij de grot?”

Oma glimlacht.
“Klim op mijn rug.
Ik breng je erheen.”

0:00 / 0:00