De Toren
Fee gaat de toren van de tovenaar binnen
Fee staat voor de toren.
Hij is hoog.
En donker.
En oud.
Spinnenwebben hangen overal.
De kikker zit op haar schouder.
“Ik ga met je mee,” zegt hij.
De vogels vliegen boven haar hoofd.
“Wij ook,” zingen ze.
Fee haalt diep adem.
Ze duwt de deur open.
De deur kraakt.
Het is lang geleden dat iemand hier was.
Binnen is het stoffig.
Er staan oude meubels.
Kapotte stoelen.
Lege kasten.
“De tovenaar woont hier niet meer,” zegt de kikker.
“Hij is lang geleden vertrokken.
Maar zijn vloek blijft.”
Fee loopt naar de trap.
De trap draait omhoog.
Naar boven.
Naar het boek.
Ze klimt.
Trede voor trede.
De trap kraakt onder haar voeten.
Hoger en hoger.
Het wordt donkerder.
Maar Fee gaat door.
Dan is ze boven.
Een kleine kamer.
Met een raam.
En een tafel.
En op de tafel…
“Het boek!” roept Fee.
Ze rent naar de tafel.
Daar ligt het.
Het boek van de vloek.
Het is oud.
De kaft is zwart.
Er zit stof op.
Fee pakt het boek.
Het voelt koud.
En zwaar.
En… boos.
“Dit boek heeft veel kwaad gedaan,” zegt de kikker zacht.
Fee slaat het open.
De letters zijn vreemd.
Oud.
Maar ze kan ze lezen.
“Hier staat de vloek,” zegt ze.
“En hier staat hoe ik hem kan breken.”
Ze leest de woorden.
Haar hart bonst.
Dit is het moment.
Dit is waar ze voor gekomen is.
“Ben je er klaar voor?” vraagt de kikker.
Fee kijkt naar hem.
Naar de vogels.
Naar al haar vrienden die wachten.
“Ja,” zegt ze.
“Ik ben klaar.”