De Pesters
Ole wordt gepest door een paar jongens
Het is vrijdag.
De laatste schooldag van de week.
Raf en Ole zitten in de klas.
Ze tekenen samen.
Ole kan nu al veel woorden.
“Dit is een hond,” zegt hij.
Hij wijst naar zijn tekening.
“Goed zo!” zegt Raf.
“Je Nederlands wordt steeds beter.”
De bel gaat.
Pauze!
Raf, Ole en Evi lopen naar buiten.
Ze willen bij de schommel spelen.
Maar dan komen er drie jongens.
Grote jongens uit groep vijf.
Koen. Bram. En Daan.
Ze zijn niet aardig.
“Hé, kijk eens wie we daar hebben,” zegt Koen.
“De buitenlander.”
Ole kijkt naar de grond.
Hij begrijpt niet alle woorden.
Maar hij voelt het.
De gemene toon.
“Kun je nog steeds niet praten?” vraagt Bram.
“Of ben je dom?”
Daan lacht hard.
“Misschien is hij allebei!”
Raf voelt zijn bloed koken.
Zijn handen ballen tot vuisten.
Hij wil iets doen.
Hij zou ze kunnen optillen.
Hij zou ze kunnen laten schrikken.
Maar Evi pakt zijn arm.
“Niet doen,” fluistert ze.
“Niet met je krachten.”
Raf haalt diep adem.
Evi heeft gelijk.
Dat is niet de oplossing.
De jongens komen dichterbij.
Koen duwt tegen Ole.
Ole valt bijna om.
“Ga terug naar je eigen land!” roept Koen.
Ole kijkt naar Raf.
Zijn ogen zijn nat.
Hij begrijpt nu wat ze zeggen.
Raf voelt zijn hart breken.
Dit is niet eerlijk.
Dit is gemeen.
Dit mag niet.
Hij moet iets doen.
Maar wat?