Het Woordenboekje
Evi maakt een speciaal boekje voor Ole
Evi zit aan de keukentafel.
Ze heeft papier.
En potloden.
En stiften.
Ze is iets aan het maken
Iets voor Ole.
Mama kijkt over haar schouder.
“Wat maak je?”
“Een woordenboekje,” zegt Evi.
“Met plaatjes.
Voor Ole.
Zodat hij Nederlands kan leren.”
Ze tekent een zon.
Onder de zon schrijft ze: ZON.
Ze tekent een maan.
Onder de maan schrijft ze: MAAN.
Ze tekent een huis.
Een boom.
Een auto.
Een leeuw
Een kat.
Bij elk plaatje schrijft ze het woord.
“Wat lief van je,” zegt mama.
“Ole zal heel blij zijn.”
De volgende dag.
School.
Evi geeft het boekje aan Ole.
Ole kijkt naar het boekje.
Hij bladert erdoorheen.
Zijn ogen worden groot.
“Voor mij?” vraagt hij.
“Ja,” zegt Evi.
“Om Nederlands te leren.
Ik weet hoe moeilijk dat is.
Ik kom uit Brazilië.
Ik moest het ook leren.”
Ole kijkt naar Evi.
Zij begrijpt hem!
Zij weet hoe het voelt.
Ole kijkt naar de plaatjes.
Hij wijst naar de zon.
“Zon,” leest hij.
Hij wijst naar de maan.
“Maan.”
Raf kijkt ook.
“Evi, dit is zo cool!”
Evi glimlacht.
“Ik heb nog meer bladzijden gemaakt.
Kijk hier.”
Ze slaat een pagina om.
Daar staan gevoelens.
Een blij gezicht: BLIJ.
Een verdrietig gezicht: VERDRIETIG.
Een boos gezicht: BOOS.
Een bang gezicht: BANG.
Ole wijst naar het blije gezicht.
Dan naar zichzelf.
“Ik ben blij,” zegt hij.
Raf en Evi lachen.
“Wij ook!” zegt Raf.
Ole houdt het boekje tegen zijn borst.
“Dank jullie,” zegt hij.
“Jullie zijn… lieve vrienden.”
Raf voelt zich warm van binnen.
Dit is beter dan vliegen.
Dit is beter dan sterk zijn.
Dit is vriendschap.
Echte vriendschap.