De Hockeywedstrijd
Raf neemt Ole mee naar hockey
Het is zaterdag.
Raf heeft hockey.
Hij draagt zijn tenue.
Zwart en geel.
Mama rijdt hem naar het veld.
“Heb je je stick?”
“Ja mama.”
Ze komen aan bij de club.
Daar staan al veel kinderen.
Allemaal in zwart en geel.
Dan ziet Raf iemand.
Bij het hek.
Het is Ole!
Met zijn vader.
Raf rent naar hem toe.
“Ole! Wat doe jij hier?”
Ole glimlacht.
Hij wijst naar het veld.
Dan naar zichzelf.
Hij wil ook hockey!
De vader van Ole praat met de coach.
De coach knikt.
“Natuurlijk mag hij meedoen.
We hebben altijd plek voor nieuwe spelers.”
Ole krijgt een stick.
En een shirt.
Zwart en geel.
Net als Raf.
De training begint.
De coach legt de regels uit.
Ole snapt niet alles.
Maar Raf helpt.
Hij laat het zien.
“Je moet de bal zo slaan.”
Raf doet het voor.
De bal rolt over het gras.
Ole probeert het.
Mis!
De bal gaat de verkeerde kant op.
Raf lacht niet.
Hij helpt.
“Kijk naar de bal.
En dan… duw
Ole probeert nog een keer.
Nu raak!
De bal vliegt!
“Goed zo!” roept Raf.
De wedstrijd begint.
Raf speelt goed.
Hij rent snel.
Te snel eigenlijk.
Maar niemand merkt het.
Ole speelt ook mee.
Hij mist vaak.
Maar hij lacht.
Hij heeft lol.
Dan krijgt Ole de bal!
Hij kijkt om zich heen.
Raf staat vrij!
Ole slaat.
De bal rolt naar Raf.
Raf slaat.
GOAL!
De kinderen geven een schreeuw
Raf rent naar Ole.
Ze geven elkaar een high five.
“Goed gespeeld!” zegt Raf.
Ole glimlacht breed.
“Goed gespeeld,” herhaalt hij.
Zijn Nederlands wordt beter.
Elke dag een beetje.