Opkomen voor je Vriend
Raf kiest ervoor om voor Ole op te komen
Raf kijkt naar de jongens.
Naar Koen.
Naar Bram.
Naar Daan.
Hij kijkt naar Ole.
Zijn vriend.
Die bang is.
Die verdrietig is.
En dan beslist Raf.
Hij hoeft niet te vliegen.
Hij hoeft niet sterk te zijn.
Hij hoeft alleen… te staan.
Raf loopt naar Ole.
Hij gaat naast hem staan.
Schouder aan schouder.
“Laat hem met rust,” zegt Raf.
Zijn stem trilt.
Maar hij zegt het.
Koen lacht.
“O kijk! De jongen die niet kan praten!
Hij helpt de jongen die niet kan praten!”
De andere jongens lachen ook.
Raf voelt zijn wangen rood worden.
Vroeger zou hij weglopen.
Vroeger zou hij een grap maken.
Zodat ze mét hem lachten.
Niet óm hem.
Maar nu niet.
Nu is hij klaar met grappen.
“Ik bedoel het,” zegt Raf.
Hij zegt “bedoel” in plaats van “meen”.
Maar dat maakt niet uit.
“Ole is mijn vriend.
Hij hoort hier.
Net als ik.
Net als jullie.”
Koen stopt met lachen.
“Jouw vriend? Die sukkel?”
“Hij is geen sukkel,” zegt Raf.
“Hij is slim.
Hij kan tekenen.
Hij kan hockey.
Hij leert elke dag nieuwe woorden.”
Raf doet een stap naar voren.
“En weet je wat het verschil is tussen hem en jullie?”
Koen fronst.
“Wat dan?”
“Hij is aardig.
Jullie niet.”
Het wordt stil.
Koen weet niet wat hij moet zeggen.
Bram kijkt naar de grond.
Daan staart naar zijn schoenen.
Evi komt naast Raf staan.
“Raf heeft gelijk.
Ga weg.
Of ik haal de juf.”
Koen kijkt om zich heen.
Andere kinderen kijken nu.
Ze hebben alles gehoord.
“Kom,” zegt Koen.
“We gaan.”
De drie jongens lopen weg.
Zonder nog iets te zeggen.