Het Geheim
Fee gaat naar de heks in het bos
Fee loopt door het bos.
De bomen zijn hoog.
Ze staan er al een eeuw
De blaadjes ruisen.
Het is een beetje eng.
Maar Fee is niet bang.
Ze moet naar de heks.
Ze moet leren toveren
Ze moet haar vrienden redden
De kikker hopt naast haar.
“Nog even,” zegt hij.
“Dan zijn we er.”
En ja hoor.
Daar is het hutje.
Het is klein.
Met een dak van stro.
Er komt rook uit de schoorsteen.
Fee klopt op de deur.
De deur gaat open.
Daar staat de heks.
Ze is oud.
Maar haar ogen zijn jong.
En vriendelijk.
“Fee,” zegt de heks.
“Ik wist dat je zou komen.”
“Hoe weet u dat?” vraagt Fee.
De heks glimlacht.
“Ik weet veel.
Kom binnen.
Ik zet thee.”
Het hutje is vol spullen.
Potjes met kruiden.
Boeken met spreuken.
Een ketel op het vuur.
Fee gaat zitten.
De heks geeft haar thee.
Het smaakt naar honing.
“Ik heb een gave,” zegt Fee.
“Ik kan toveren
Maar ik weet niet hoe.”
De heks knikt.
“Dat weet ik.
Ik heb je gevoeld
Jouw magie is sterk.
Sterker dan je denkt.”
“Kunt u me helpen?”
De heks pakt een boek.
Het is oud en stoffig.
“Dit boek leert je de basis.
Maar de echte magie…
Die komt uit je hart.”
Fee kijkt naar het boek.
“En de vloek?
Kan ik die breken?”
De heks kijkt serieus
“Dat kan alleen jij.
Maar het wordt niet makkelijk.
De tovenaar was sterk.
Zijn vloek is sterk.”
Fee slikt.
“Ik wil het proberen.”
De heks pakt haar hand.
“Dan begin we morgen.
Vannacht slaap je hier.
En morgen…
Leer ik je toveren